Daar het zaaizaad van koolzaad vaak uitwendig is besmet met sporen van parasitaire schimmels (bv. Phoma en Alternaria spp.) is het noodzakelijk dit zaad te ontsmetten.
Tegelijk met deze ontsmetting dient een behandeling van het zaad ter voorkoming van schade, die larven van de koolzaadaardvlo kunnen aanrichten. Bovendien worden de overigens minder schadelijke larven van de galboorsnuitkever en stengelboorsnuitkever, op deze wijze effectief bestreden.
Er dient naar gestreefd te worden ca. 50 à 80 planten per m2 te krijgen.
In de praktijk is geb1eken dat om een voldoende dichte stand te bereiken - afhankelijk van de kwaliteit van het zaaibed en het duizendkorrelgewicht is een hoeveelheid zaaizaad per ha nodig is variërend van 5 kg/ha op zavelgrond tot 8 kg/ha op zware kleigrond.
Bij zaai in augustus kan iets minder zaaizaad worden gebruikt dan in september. In verband met mechanische onkruidbestrijding werd vroeger de voorkeur gegeven aan een ruime rijenafstand. Nu de onkruidbestrijding praktisch geheel met chemische middelen plaatsvindt, kan beter op een nauwere rijenafstand (12,5 of 25 cm) gezaaid worden, omdat het gewas dan gelijkmatiger bloeit en afrijpt. Bovendien blijft bij het in het zwad maaien het zwad beter op de stoppel liggen, waardoor het ook beter droogt en er bij het oprapen minder verliezen optreden. Een nog nauwere rijenafstand kan een vochtig microklimaat scheppen dat gunstig is voor schimmels (vnl. Phoma lingam).
De zaaitijd is bij koolzaad belangrijk. Wordt koolzaad te vroeg gezaaid, dan kan zich voor de winter nog een gewas ontwikkelen, dat reeds neiging tot schieten vertoont. Zo'n gewas is gevoelig voor strenge vorst. Aan de andere kant kan koolzaad ook te laat worden gezaaid, zodat de planten te klein de winter ingaan. Het minst vorstgevoelig zijn planten die bij het begin van de winter een stevig rozet hebben gevormd en waarbij de stengel nog geen lengtegroei vertoont. Niet alleen de zaaitijd, maar ook de vruchtbaarhe1d van de grond speelt hierbij een rol. Op pas gescheurd grasland of na erwten, klaver of luzerne zal men best wat later kunnen zaaien dan op minder rijke grond.
Meestal blijkt dat de tweede helft van augustus tot begin september de beste zaaitijd is voor koolzaad.
Dan bestaat de meeste kans dat de planten in een optimale toestand de winter ingaan. Veel hangt er echter vanaf of de planten nog voldoende sterk ontwikkeld de winter kunnen ingaan. Als laat wordt gezaaid, kan een stikstofgift bij het zaaien van 30-40 kg/ha een gunstige werking hebben op de ontwikkeling voor de winter.
Rasverschillen wat geschiktheid voor laat zaaien betreft, lijken niet groot. Zeker nu wintertarwe vaak wordt gebruikt als voorvrucht, is er wel behoefte aan rassen die later zaaien beter kunnen verdragen. De thans in Nederland in beproeving zijnde hybride rassen verdragen, in verband met een snellere begingroei, vermoedelijk een iets latere zaai. De wintervastheid van deze rassen is nog niet veel bekend.
Koolzaad mag niet dieper dan ca. 2 cm gezaaid worden. Deze zaaidiepte is op voldoende vochthoudende grond goed te bereiken door de vorentrekkers van de zaaipijpen op te hangen. Het zaad spat dan op de grond, waardoor een vrij brede strook wordt bezaaid en de planten later iets meer verspreid komen te staan. Door ineggen en indien nodig rollen, kan het zaad worden ondergebracht.
Op een droog zaaibed krijgt men een betere aanslag als het zaad door de vorentrekkers in de grond is gebracht.
Bij erg losliggende grond verdient het aanbeveling met drukrollen, ook wel stelwielen genoemd te zaaien, waarmee de zaaidiepte nauwkeurig kan worden geregeld. Door voor te rollen kan het te diep weg vallen eveneens worden tegengegaan.
In Oostelijk Flevoland zijn in verband met moeilijkheden om op zware grond een goed zaaibed te krijgen en uit arbeidsbesparende overwegingen, op grote schaal proeven genomen met koolzaadteelt zonder grondbewerking.
In de nazomer van 1965 heeft men dat in deze polder op een vrij grote oppervlakte gedaan. Wel is het riet goed bestreden. De resultaten waren zo veelbelovend, dat men in de natte nazomer van 1966 besloot enige honderden hectaren met het vliegtuig te zaaien. De opbrengst van deze percelen bedroeg 2,5 ton/ha tegen 3,0 ton/ha van alle percelen in beheer bij de Rijksdienst.
Men kwam bij deze Dienst tot de conclusie dat deze zaaimethode beperkt zal moeten blijven tot die gevallen waar een normale zaaimethode niet kan worden uitgevoerd (Duijm, 1969).
Ook in het Oldambt heeft men in 1971 en 1972 ervaring opgedaan met het zaaien van koolzaad per vliegtuig, evenals met het zaaien zonder grondbewerking. In dat gebied wordt koolzaad vaak na wintertarwe geteeld. Als de tarweoogst wat laat uitvalt, komt men in moeilijkheden met het op tijd uitzaaien van koolzaad (Romp, 1972). Men heeft daarom met elkaar vergeleken: zaaien in de tarwe per vliegtuig enige dagen voor de tarweoogst en rijenzaai na normale grondbewerking na de oogst. De resultaten waren toch niet zodanig dat men snel tot het systeem zonder grondbewerking zal overgaan. Ridder (1973) die dit onderzoek heeft begeleid, trok uit deze proeven de conclusie dat een goede grondbewerking een grotere rol speelde dan het tijdstip van zaaien.