Bemesting
De fosfaat- en kalibehoefte van koolzaad is niet bijzonder groot en komt ongeveer overeen met die van de granen. Dit betekent dat bij een normale fosfaat- en kali-toestand van de grond 30-60 kg P2O5 en 40-80 kg K2O per ha moet worden gegeven. Zeer dankbaar is koolzaad echter voor een flinke stikstofbemesting en daarom ook voor uitzaai op krachtig land. Koolzaad vraagt 40 à 50 kg zuivere stikstof per ha méér dan een stevig wintertarweras, hetgeen normaal zal neerkomen op een gift in het voorjaar van 120-160 kg zuivere stikstof per ha. Nog hogere stikstofgiften (zelfs tot 200 kg N) kunnen nog iets hogere zaadopbrengsten geven, maar of deze economisch verantwoord zijn, is zeer de vraag, te meer omdat de kans op schimmel-aantastingen dan sterk toeneemt. Voor het van stam dorsen is echter een zwaar gewas een voordeel, omdat er minder kans op zaadverlies is tijdens harde wind. Op natte, ondiep geaëreerde gronden is, door onvoldoende mineralisatie van organisch gebonden stikstof, een zwaardere bemesting nodig. Overigens moet de teelt van koolzaad op natte gronden sterk ontraden worden. Tijdens de winter is de kans groot dat de wortel door wateroverlast gaat kwijnen, waardoor de kans op uitwintering wordt vergroot. Op gescheurd grasland kan met weinig stikstof worden volstaan en na een flinke stalmestgift is 60-80 kg zuivere stikstof per ha wel voldoende, mits het mineralisatieproces normaal verloopt. Proeven in de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland hebben uitgewezen dat het geven van een N-bemesting in de herfst na het zaaien, onder normale omstandigheden geen meeropbrengst aan zaad oplevert en daarom onnodig is. Slechts bij late zaai of zaai in een arme stoppel, bv. van granen en graszaad, kan een herfstgift van 30 à 40 kg N per ha nuttig zijn om het gewas krachtiger de winter in te laten gaan. Deze gift mag echter niet in mindering worden gebracht op de in het voorjaar te geven bemesting.
In het voorjaar wordt de stikstof gegeven zodra het gewas weer gaat groeien. Uit onderzoek is gebleken, dat als de hoeveelheid stikstof die het gewas moet hebben, goed kan worden geschat, men het beste alle stikstof vroeg in het voorjaar kan geven. Soms kan men echter niet een goede schatting maken van de optimale stikstofgift, bv. na gescheurd grasland e.d. Het is gebleken dat men dan goede resultaten kan bereiken met een vroege basisbemesting en voor de bloei - beter nog voor het schieten - nog een aanvullende bemesting te geven. Deze laatste kan men op dat tijdstip geheel laten afhangen van de ontwikkeling van het gewas. Van Roon (1959) heeft echter wel duidelijk aangetoond dat deling van de bemesting op zichzelf geen voordeel bracht, evenmin een late extra overbemesting (tabel 5).
Tabel 5. Invloed van gedeelde giften op opbrengst, uitgevoerd op verschillende tijdstippen (winterkoolzaad) (naar v. Roon, 1959).
Een te late overbemesting kan de afrijping vertragen, waardoor de oogsttijd naar een later tijdstip wordt verschoven, wat veelal ongunstig is. Bovendien geven extra zware en laat afrijpende gewassen vaak moeilijkheden bij de oogst.