a. Zwadmaaien
De meest gebruikelijke oogstmethode is het zwadmaaien, 7 à 14 dagen later gevolgd door opraapdorsen.
Het in het zwad maaien gebeurt op het moment dat de midde1ste hauwen geel tot grijsbeige van kleur zijn, de zaden zijn dan niet meer groen, maar rood tot bruin. Dit werk gebeurt meestal met een zelfrijdende zwad maaier. Deze levert uitstekend werk. Gemiddeld ligt de capaciteit op 1 ha of meer per uur. Er wordt gemaaid op een lange stoppel van ca. 20-25 cm om het zwad vrij van de grond te laten liggen. Hierdoor wordt het gelijkmatig drogen en afrijpen sterk bevorderd en op deze manier wordt ook voorkomen, dat er hauwen op de grond liggen, die bij de oogst verloren kunnen gaan.
Na ca. 10 dagen wordt het zwad gedorst. Hiervoor wordt een maaidorser gebruikt, die voorzien is van een opraapinrichting om zaadverlies tijdens het oprapen zoveel mogelijk te voorkomen.
Het opraapdorsen kan ook geschieden door met het mes onder het zwad door te gaan. Als dit hoog op de stoppel ligt, kan ook deze methode goede resultaten geven.
b. Maaidorsen
De laatste tijd vindt de methode van het rechtstreeks maaidorsen weer meer ingang. Het maaidorsen dat ca. 2 weken later plaatsvindt dan het zwadmaaien, heeft het voordeel dat het zaad beter uitgerijpt en kwalitatief beter is. Het nadeel kan zaaduitval zijn.
De maaidorser moet in elk geval aan de rechter voorzijde zijn voorzien van een verticale maaibalk van ca. 1,25 m lang. Hiermee wordt gemakkelijk een goede scheiding tot stand gebracht tussen de strook die wordt gemaaidorst en de rest. Alleen op deze wijze ontstaan geen ontoelaatbare verliezen.
Afstelling van de maaidorser
Bij het afstellen van de maaidorser wordt - afhankelijk van de diameter van de dorstrommel - met een toerental van de dorstrommel van 500-650 omwentelingen per minuut (resp. voor een grote en een kleine 0) begonnen. Bij een zwaar gewas dat zich moeilijk laat dorsen, kan het toerental opgevoerd worden tot resp. 700 en 10 omw. per min. De ruimte tussen dorstrommel en mantel moet niet te nauw worden genomen, omdat de hauwen dan vermalen worden. Het kan nuttig zijn het voorste deel van de stroschudders met vierkant- of kuikengaas af te dekken. Dit ontlast de zeven.
Nat zaad dient snel gedroogd en indien nodig geschoond te worden, omdat anders betrekkelijk snel broei optreedt, waardoor de kwaliteit sterk terugloopt.
c. Zaadverlies
Aanzienlijk risico voor zaadverlies ontstaat door keveraantasting of besmetting door Alternaria.
Bij de methode zwadmaaien-opraapdorsen kunnen er verliezen optreden bij het maaien. Deze zijn meestal zeer gering. Indien het zwad te lang op het veld blijft liggen kan er ook wat verlies optreden door het openspringen van de hauwen aan de bovenzijde van het zwad. Ernstig zaadverlies treedt op wanneer tijdens het in het zwad liggen een langere periode van slecht weer optreedt. Onweersbuien kunnen veel schade aanrichten.
Eveneens een bron van zaadverlies kan zijn het te snel of te langzaam lopen van de opraper bij het opraapdorsen.
Bij maaidorsen kunnen er verliezen optreden, als het gewas te lang op het veld moet staan omdat er op het juiste moment van rijpheid door omstandigheden niet geoogst kan worden.
Tijdens het maaidorsen treden verliezen op a1s het lange koolzaadgewas moeilijk door de vijzel wordt gepakt. De haspel behoort het gewas neer te drukken, omdat het anders rechtop voor de vijzel staat. De haspel latten moeten even snel achterwaarts bewegen als de machine vooruit rijdt en de tanden moeten verticaal staan. De haspel raakt het gewas dan net na het afmaaien.
Door hoog stoppelen en door het toerental van de haspel juist af te stellen, kan het zaadverlies beperkt worden.
Legering kan veel doorwas tot gevo1g hebben. De groene de1en van deze doorwas kunnen de zeven verstoppen, waardoor het zaad niet goed wordt uitgedorst en er verliezen optreden. Verstoppingen van de zeven kunnen ook voorkomen als er laag gesneden wordt, zodat groene stengeldelen in de zeven komen. Door beide oorzaken wordt het vochtgehalte van het zaad sterk verhoogd, hetgeen ongewenst is.
In de proefjaren 1984, 1985 en 1986 is de methode zwadmaaien vergeleken met maaidorsen bij het ras Jet Neuf. Het tijdstip van maaidorsen lag in deze proeven om uitvoeringstechnische redenen gelijk aan het tijdstip van opraapdorsen. In de praktijk zal, vanwege het vochtgehalte van het zaad, het maaidorsen later plaatsvinden dan het opraapdorsen vanuit het zwad.
In onderstaande tabel zijn de oogstdata en opbrengstgegevens weergegeven van de drie proefjaren (Floot, 1986).
Tabel: Oogstdata en opbrengstresultaten van winterkoolzaad over drie jaren.
Uit de opbrengstresultaten blijkt dat de invloed van de oogstmethode tussen de jaren verschilt. Dit hangt onder meer samen met de weersomstandigheden tijdens de oogstperiode.
In 1984 viel er vlak na het zwadmaaien erg veel regen, gevolgd door een warme periode. Bij het object zwadmaaien en opraapdorsen is hierbij nogal wat zaadverlies opgetreden. In 1985 ging het om een vrij zwaar hangend gewas waarin enige schade door Sclerotinia voorkwam. Hierdoor ontstond tijdens de afrijping een onregelmatig bont gewas. Door windschade is er met name bij het object van stam dorsen vrij veel zaad uitgevallen. In 1986 was het een gezond, stevig en steungevend gewas, waarbij beide objecten optimaal konden afrijpen en geoogst worden.