In het algemeen moet voor de koolzaadteelt aan de grond de voorwaarde worden gesteld, dat deze weinig onkruidzaden en wortelonkruiden bevat, een goede waterhuishouding heeft en voldoende vruchtbaar is.
Koolzaad geeft de hoogste opbrengsten op rijke gronden met een goede structuur, zoals jonge zeekleigronden en gescheurd grasland. Daarom voelt koolzaad zich uitstekend thuis op pas ingedijkte zeekleigronden en op de zavelgronden van de IJsselmeerpolders.
Behalve op klei- en zavelgronden, kan koolzaad ook op andere grondsoorten, zoals lössgrond en goed vochthoudende dal- en zandgronden worden geteeld. Het gewas rijpt op deze gronden vaak vroeger af en levert dan iets fijner zaad op. Op zandgrond is er meer kans op Alternaria-aantasting. Gronden die in de herfst of in de winter last hebben van stagnerend water, zijn niet geschikt voor de teelt van koolzaad.
Koolzaad heeft veel voedingsstoffen nodig, vooral stikstof moet in ruime mate aanwezig zijn.
Koolzaad stelt door zijn vroege zaaitijd en grote stikstofbehoefte speciale eisen ten aanzien van de voorvrucht.
Als vroeg ruimende gewassen zijn erwten en graszaad daarvoor zeer geschikt. Indien men de beschikking heeft over grasland dat vroeg geploegd kan worden, is dat eveneens een prima voorvrucht, evenals luzerne. De luzerne en het grasland laten namelijk krachtig land na, waarvoor koolzaad zeer dankbaar is. Om de goede eigenschappen van grasland en graszaadpercelen volledig te benutten, is het gewenst de vertering van de zode zo vlug en goed mogelijk te laten verlopen.
Het is daarom nodig om vóór het frezen ca. 30 kg N te geven, waardoor vertering van de stukgeslagen zode wordt bevorderd.
Een stikstofbemesting bij het zaaien is gunstig voor de eerste groei die anders nogal eens traag is na grasland en graszaad. Koolzaad kan men eventueel ook zaaien na vlas, vroeg gerooide aardappe1en en karwij. Voor karwij geldt evenwel het bezwaar dat het door rattenkeutelziekte, (Sclerotinia) kan worden aangetast; koolzaad is hiervoor ook gevoelig. Ook de kans op vreterij door slakken is na karwij niet denkbeeldig. Overigens is het niet gebruike1ijk koo1zaad na karwij te telen.
Op bedrijven met vrij veel bieten in het bouwplan kan beter geen koolzaad worden verbouwd om uitbreiding van het bietencystenaaltje te voorkomen.
Koolzaad is een waardp1ant voor dit aaltje. Het kan de populatiedichtheid van de aaltjes aanzienlijk vergroten, zonder er zelf schade van te ondervinden. Men zal dus na koolzaad enige jaren moeten wachten, voordat er weer bieten gezaaid kunnen worden.
Koolzaad is gevoelig voor knolvoet. In Sleeswijk-Holstein wordt daarvan hinder ondervonden, wellicht mede als gevolg van het gebruik van koolzaad als groenbemestinggewas
Wintergranen kunnen als voorvrucht worden gebruikt indien de graanoogst vroeg plaatsvindt en op tijd een zaaibed kan worden klaargemaakt. Indien dit door weers- of bedrijfsomstandigheden niet te rea1iseren is, komt koolzaad niet meer in aanmerking, want een te late zaai (na half september) heeft een sterk nadelige invloed op de zaadopbrengst en verhoogt het risico van uitwintering. Dit nadeel kan voor een deel gecorrigeerd worden door bij het zaaien ca. 30 à 40 kg N te geven.
In de nieuwe polders - IJsselmeerpo1ders, Groningen, Zeeland - was koolzaadteelt na een eerste begroeiing met riet of s1ijkgras (Spartina maritima) zeer goed moge1ijk.
Koo1zaad levert als vroeg ruimend gewas rijk land voor het vo1ggewas omdat de in de zomer gemineraliseerde stikstof in de bodem blijft. Koolzaad is een goede voorvrucht voor grasland, winter- en zomergranen, in mindere mate voor brouwgerst. Voor bieten en spinazie(zaad) is koolzaad, zoals reeds verme1d, een ongewenste voorvrucht, daar het de populatiedichtheid van het bietencystenaaltje aanzienlijk kan vergroten. Koolzaad is een matige en ongebruikelijke voorvrucht voor vlas, blauwmaanzaad, karwij, klaver en luzerne. Vlas dat na koolzaad wordt verbouwd heeft meestal een minder goede strovlaskwaliteit, terwijl in blauwmaanzaad vaak hinder wordt ondervonden van opslag en onkruid. Karwij, klaver en luzerne zaait men liefst onder dekvrucht, wat onder koolzaad wel mogelijk, maar weinig gebruikelijk is. Na koolzaad kan nog een groenvoeder- of groenbemestingsgewas worden verbouwd.
In wintertarwe na koolzaad kan nogal eens slakkenvraat voorkomen. Of er een direct verband is te leggen met de voorvrucht is niet duidelijk. Voorlopig zal moeten worden volstaan de slakken in de wintertarwe te bestrijden. Koolzaadopslag kan na jaren nog een zeer hinderlijk onkruid zijn. Steeds zal ernaar gestreefd moeten worden deze opslag tot een minimum te beperken door ervoor te zorgen dat de opslag planten geen zaad vormen.
Koolzaad wordt in de tweede helft van augustus tot begin september uitgezaaid. Hiervoor wordt het perceel in de zomer op zaaivoor geploegd, dat wil zeggen op ca. 15 cm diepte, wat nodig is om een goede wortelontwikkeling te krijgen. Om een met te fijn doch vooral kruimelig zaaibed te krijgen, wordt daarna een bewerking met een rotorkopeg uitgevoerd. Na vrij laat het veld ruimende granen wordt in Groningen om tijd te winnen in vele gevallen de stoppel in één keer op zaaivoor geploegd en met een aangedreven eg bewerkt. Vervolgens wordt er gezaaid. Koolzaad moet ondiep worden gezaaid, zodat de gehele bovenlaag niet te diep mag worden losgemaakt om diep wegvallen van het zaad te voorkomen. Het zaaibed behoeft niet zo fijn te zijn als voor de overige fijne zaden en op slempgevoelige gronden moet een fijn zaaibed zelfs worden afgeraden. Bij te scheuren grasland en na graszaad zijn goede resultaten te bereiken door de zode eerst ondiep te frezen en daarna te ploegen.
Ook kan bij het ploegen gewerkt worden met een voorschaar, die bij een goede afstelling eveneens zeer bruikbaar is. Hierdoor wordt de graszode voldoende diep ondergebracht en heeft men er bij het eggen geen last van. Een stikstofgift van 30 à 40 kg N/ha, gegeven vóór het bewerken van het grasland of de graszaadstoppel, komt de vertering van de zode ten goede. Het koolzaad kan tijdens zijn groeiperiode hiervan profiteren. Als er een kans is op uitdroging van het zaaibed, doet men er goed aan met een cambridgerol voor of na het zaaien te rollen. Wanneer het zaaibed te los is, is voorrollen noodzakelijk. Bovendien verdient het aanbeveling om de zaaimachine te voorzien van drukrollen, waardoor het gevaar voor te diep wegvallen van het zaad wordt verminderd. Indien na het zaaien een flinke regenbui de bovenlaag doet dichtslaan, is het gewenst om zo spoedig mogelijk deze laag te breken door bewerking met een cambridgerol.