Bestuiving en oogst

Bestuiving van het koolzaad

Op de vraag of glanskevers een rol van betekenis spelen bij de kruisbestuiving moet een ontkennend antwoord worden gegeven. Er blijkt geen aanleiding te bestaan de bestrijding van glanskevers terwille van de bestuiving na te laten. Over de reële betekenis van bijen voor de bestuiving zijn de meningen verdeeld. Dat een voldoende bestuiving tijdens de bloei van koolzaad van belang is voor de opbrengst spreekt voor zichzelf. In de praktijk vindt bij koolzaad gemiddeld 2/3 kruisbestuiving en 1/3 zelfbestuiving plaats. Er zijn echter aanzienlijke rasverschillen. Bij de koolzaadplant, die wat bouw aangaat ogenschijnlijk op insecten(kruis)bestuiving is ingericht, is de wind voor de bestuiving mogelijk belangrijker dan insecten. Zelfbestuiving komt relatief veel voor. Significante bevruchtingsverschillen tussen bestuiving door stuifmeel uit dezelfde bloem, uit bloemen van dezelfde plant en die van verschillende planten werden niet gevonden (Duym, 1969).

Oogst van het koolzaad

De oogsttijd, de oogstmethode en de droging en bewaring van het zaad hebben grote invloed op opbrengst en kwaliteit van koolzaad.

Oogsttijdstip

De bepaling van het juiste oogsttijdstip van koolzaad is niet eenvoudig in verband met het niet gelijktijdig rijpen van het zaad. De bloemen bloeien aan de tros van beneden naar boven en daardoor rijpen ook de hauwen van beneden naar boven. Wel heeft men getracht door se1ectie een meer homogene b1oei en rijping te bevorderen, maar in principe is en blijft koo1zaad een ongelijktijdig rijpende plant. Daar de hauwen bij volledige rijpheid van nature openspringen, is de kans op zaadverlies bij maaien van het volledig rijpe gewas zo groot dat men genoodzaakt is iets vóór het volledig afrijpen der hauwen of zaden te maaidorsen.

Zweeds onderzoek (Appelqvist, 1972) heeft aangetoond dat de drogestof in de zaden toeneemt, totdat de zaden volledig rijp zijn. In Nederland vindt de oogst van koolzaad doorgaans plaats in de eerste helft van juli. Per ras treden wel kleine oogsttijdverschillen op.

Het oliegehalte bleek eveneens met het rijpen van de zaden toe te nemen, echter niet tot de volledige rijpheid. In dat laatste stadium vertoonde het oliegehalte een lichte daling. De totale olieopbrengst liet in dat stadium nog geen daling zien als gevolg van een nog steeds toenemend drogestofgehalte.

Appelqvist (1972) geeft voor een normaal gewas als maatstaf voor oogstrijpheid een maximaal vochtgeha1te van de zaden van 20%. Hierbij is dan niet meegerekend het vocht afkomstig van regen, dauw of vochtige lucht. Bij een onregelmatig gewas en bij verlate afrijping zou het chlorophylgehalte van de zaden (max. 25 p.p.m.) een betere maatstaf zijn, daar hieraan te zien is of de olie geschikt is voor consumptie. Chlorophyl - afkomstig uit de kiem van het zaad - geeft de koolzaadolie namelijk een groene kleur, die bij verwerking voor consumptieve doeleinden hoogst ongewenst is. Bij normale gewassen is maaidorsen mogelijk bij 12-20% vocht van het zaad. Het chlorophylgehalte is dan al enige tijd laag genoeg. Te vroeg maaidorsen geeft een lagere opbrengst en kan op diverse wijzen resulteren in schade aan kwaliteit van het zaad en in extra kosten:

  1. beschadiging van het zaad,
  2. te hoog chlorophylgeha1te,
  3. te hoog gehalte aan ongewenste vrije vetzuren, mits het zaad niet direct na het dorsen gedroogd wordt en
  4. hoge kosten voor drogen van het zaad.

Bij te vroeg maaien, gevo1gd door narijpen in het zwad komen hier nog verademingsverliezen bij, waardoor de zaden kleiner worden en een lager oliegehalte krijgen dan bij afrijping op stam.

Bij dorsen van een te droog gewas, korrels 6-12% vocht, is er - hoewel dit niet vaak zal voorkomen - kans op zaadbeschadiging in de vorm van gebroken korrels. In Nederland wordt aangenomen dat het o1iegehalte van het zaad "evenredig is" met het aantal donkerverkleurde zaden in de hauwen. Daarom zal men, ter wille van de olieopbrengst en ter besparing van droogkosten, zo laat mogelijk maaien of maaidorsen. Opbrengst en oliegehalte zijn het hoogst als bijna alle hauwen geel en vrijwel alle zaden donkergekleurd zijn. De kans op zaadverlies door de maai- of maaidorsbewerking, waarbij door draaiende verdelers op de apparatuur het in elkaar hakende gewas moet worden gescheiden, is in dat stadium echter zeer groot.