Uit de teelthandleiding volgt, dat de veredelingsdoeleinden bij koolzaad nog niet geheel bereikt zijn, nl. een optimale vetzuursamenstelling en een minimaal gehalte aan glucosinolaten, een en ander gepaard gaande met een voldoend hoge zaadopbrengst en oliegehalte. Wanneer dit bereikt wordt, kan verwacht worden dat de teelt van koolzaad in Europa zich sterk zal uitbreiden.
De samenstelling van koolzaadolie kan in principe die van sojaolie gaan benaderen, hoewel een even hoog linolzuurgehalte zeer waarschijnlijk niet bereikt zal worden. Niettemin is er een goede uitwisselbaarheid tussen beide olies.
Het erucazuurvrije zomerkoolzaad ras "aro" werd in 1968 in Canada vrijgegeven. Doordat in de praktijk vreemdbestuiving tijdens de bloei niet altijd kan worden voorkomen (opslag), spreekt men in Canada van "Learrassen" (low erucic acid rape). Deze zijn dus niet volledig erucazuurvrij, maar hebben wèl een zeer laag gehalte van dit vetzuur. Handelspartijen van deze rassen mogen niet meer dan 5% erucazuur bevatten.
De margarine-industrie in Zweden besloot om vanaf 1972 geen koolzaad meer te verwerken met een hoog erucazuurgehalte. Als reden werd opgegeven dat uit onderzoekingen was gebleken, dat dit vetzuur veranderingen in het hartweefsel kan veroorzaken. In Zweden wordt nu overal het in Svalöv geselecteerde winterkoolzaadras "Sinus" getee1d.
Als gevolg van opslag van oud zaad vermeerdert het erucazuurgehalte tijdens de vermeerderingsstappen, waardoor aanvanke1ijk soms partijen met 20% erucazuur werden geproduceerd. De situatie, wordt echter jaarlijks beter en binnen enkele jaren kunnen we ook in Zweden lage gehalten verwachten. Het opbrengstniveau is nog niet op het oude peil en de minderopbrengst moet voorlopig met behulp van subsidie van de staat en van Bedrijfsorganisaties weer worden aangevuld (Leitzke, 1973). Ook hierin mogen we echter een snelle verbetering verwachten.
In Polen heeft men voldoende zaaizaad voor een bebouwing van het Poolse areaal (600.000 ha) met erucazuurvrij koolzaad, het wordt echter nog niet nodig geacht volledig om te schakelen (Koster, 1974).
In Engeland worden momenteel nog geen bepaalde eisen geste1d t.a.v. het erucazuurgehalte van raapolie voor consumptief gebruik, echter wèl in Italië.
In West-Duitsland en in Frankrij zijn ook reeds een aanta1 nieuwe winterkoolzaad selecties met geen of een zeer laag erucavetzuurgehalte verkregen, die nog verder in beproeving zijn. In West-Duits1and is hiervan het ras "Lesira" (NPZ) goedgekeurd en wordt ook reeds op zeer grote schaal (1974 ca. 110.000 ha) verbouwd.
Hetzelfde geldt voor het ras "Primor" (Inra) in Frankrijk (in 1974 80% van het areaal).
In Nederland worden deze buitenlandse erucazuurarme- en nog een reeks andere rassen op hun landbouwkundige waarde beproefd.
In de koolzaadveredeling zijn interessante ontwikkelingen gaande die wellicht ook in Nederland in de naaste toekomst ingrijpende veranderingen in de koolzaadteelt ten gevolge zullen hebben.